Mindful leven

Mindfulness doen of mindful leven: een belangrijk onderscheid

In de praktijk kom ik het regelmatig tegen. Iemand zit tegenover me, schouders nog wat opgetrokken van de werkdag, en zegt: “Ik doe al een jaar mindfulness.” Vervolgens vraag ik hoe het gaat met de rust in het dagelijks leven, en dan volgt er een wat ongemakkelijke stilte. De ochtendmeditatie staat als een huis. De rest van de dag is een ander verhaal.

Daar zit volgens mij een kern die de moeite waard is om in onze beroepsgroep scherp te krijgen: het verschil tussen mindfulness doen en mindful leven.

Mindfulness als activiteit

Mindfulness doen is een activiteit. Het heeft een begin en een einde. Twintig minuten op een kussen, een bodyscan voor het slapen, een ademhalingsoefening tussen twee meetings door. Het is afgebakend, planbaar, en past in een agenda. En het werkt: er is inmiddels meer dan voldoende onderzoek dat laat zien dat regelmatige beoefening effect heeft op stressregulatie, aandacht en emotioneel welzijn.

Voor veel cliënten is dit precies waar ze mee binnenkomen. Ze willen rust. Ze willen de ruis zachter zetten. Mindfulness wordt dan een soort gereedschap: een copingstrategie tussen de andere copingstrategieën in. Niets mis mee. Sterker nog, voor wie net begint is dit vaak de enige werkbare ingang.

Maar er zit een addertje onder het meditatiekussen. Wanneer mindfulness puur een activiteit blijft, ontstaat er soms iets paradoxaals: mensen gaan mindfulness doen om vervolgens zo snel mogelijk weer terug te keren naar de modus waarin ze niet aanwezig zijn. De meditatie wordt een soort decompressiekamer tussen twee periodes van afwezigheid. Het is alsof je elke ochtend je tanden poetst en de rest van de dag suikerklontjes eet.

Mindful leven als houding

Mindful leven is iets anders. Het is geen activiteit maar een houding, of misschien beter gezegd: een manier van in contact staan met wat er is. Het heeft geen begin en geen einde, geen kussen, geen timer. Het gaat over aanwezig zijn terwijl je de afwas doet, terwijl je luistert naar je partner, terwijl je in de file staat en merkt dat je geïrriteerd raakt.

Het lastige is dat dit zich niet laat dwingen. Je kunt jezelf niet voorschrijven om aanwezig te zijn zoals je jezelf kunt voorschrijven om twintig minuten te mediteren. Aanwezigheid ontstaat, of niet. Wat je wel kunt doen is de voorwaarden creëren waaronder ze vaker ontstaat: minder haasten, meer pauzes, vaker iets opmerken zonder er meteen iets mee te willen.

Voor cliënten is dit vaak een ongemakkelijke ontdekking. Want mindful leven betekent ook dat je aanwezig bent bij wat onaangenaam is. Bij verveling, bij irritatie, bij de stille middag waarop niemand belt. Daarom is rust zoeken via mindfulness soms eigenlijk een vorm van vermijden: alleen aanwezig willen zijn als het prettig voelt.

Wat dit betekent voor de spreekkamer

Voor ons als professionals zit hier denk ik een belangrijke vraag: wat schrijven we eigenlijk voor wanneer we mindfulness aanraden? Schrijven we een techniek voor om symptomen te verlichten, of nodigen we iemand uit voor een fundamenteel andere manier van leven? Beide zijn legitiem, maar ze vragen om een ander gesprek.

Mijn ervaring is dat het helpt om dit onderscheid expliciet te maken. Niet om mensen te ontmoedigen die met de techniek beginnen; iedereen begint ergens. Maar wel om te voorkomen dat ze na een jaar terugkomen met de teleurstelling dat hun leven nog steeds voelt als rennen tussen oases van rust.

De vraag die ik soms stel is simpel: wil je beter worden in mindfulness, of wil je meer aanwezig zijn in je leven? Dat zijn twee verschillende vragen, met twee verschillende antwoorden.

En heel eerlijk, voor mezelf geldt het ook. Ik heb mijn ochtendritueel keurig op orde. Maar of ik écht aanwezig ben tijdens het tandenpoetsen daarna, dat is iedere dag opnieuw een open vraag.

Scroll naar boven