ACT = transdiagnostisch

ACT werkt bij bijna iedereen — en dat is geen toeval

In de GGZ werken we met protocollen, richtlijnen en behandelmodules die vaak zijn gekoppeld aan één diagnose. CGT voor depressie. EMDR voor trauma. Exposure voor angst. Dat heeft waarde — maar het heeft ook een keerzijde: mensen passen zelden netjes in één diagnose.

Zeker in een FACT-team zie je het dagelijks. Iemand met een psychose die ook drinkt. Iemand met ADHD en een traumageschiedenis. Iemand met borderline trekken én een ernstige depressie. De werkelijkheid is meervoudig, en een aanpak die dat niet aankan, schiet tekort.

ACT is anders. Niet omdat het alles kan, maar omdat het zich richt op iets wat bij élke diagnose een rol speelt: de manier waarop mensen omgaan met hun eigen gedachten, gevoelens en ervaringen.

Niet de diagnose, maar het proces

ACT kijkt niet primair naar wat iemand heeft, maar naar wat er gebeurt als hij het heeft. Vlucht iemand weg van pijn — in gebruik, in vermijding, in controledrang? Raakt iemand versmolten met zijn gedachten, zijn verhaal, zijn diagnose? Verliest iemand contact met wat hij eigenlijk belangrijk vindt?

Die processen — experiëntiele vermijding, cognitieve fusie, verlies van waarden — komen voor bij depressie én bij verslaving, bij trauma én bij psychose, bij angst én bij persoonlijkheidsproblematiek. En precies daarop richt ACT zich.

Dat is wat transdiagnostisch betekent: niet dat ACT overal hetzelfde doet, maar dat de onderliggende principes universeel toepasbaar zijn. De taal en de aanpak passen zich aan — de houding blijft gelijk.

Wat verandert per diagnose?

Niet de principes, maar de toepassing. Bij psychose werk je nooit met de inhoud van wanen, maar altijd met de persoon die hem meemaakt. Bij trauma is veiligheid geen voorwaarde voor de interventie — het ís de interventie. Bij ASS vermijd je abstracte metaforen en werk je met concrete, voorspelbare taal. Bij verslaving vraag je niet waarom iemand gebruikt, maar wat het middel dempt — en wat er is als het wegvalt.

Kleine nuances, groot verschil.

Voor agogen en verpleegkundigen

Je hoeft geen ACT-therapeut te zijn om hier iets mee te doen. De principes leven in de houding: aanwezig zijn zonder op te lossen, ruimte geven aan gevoel, vragen naar wat iemand écht belangrijk vindt, een kleine stap zetten in de richting die telt.

Dat kun je doen in een gesprek van vijf minuten. Bij iemand met een psychose net zo goed als bij iemand met een angststoornis.

In het magazine vind je per diagnosegroep concrete handvatten en voorbeeldtaal — direct toepasbaar in dagelijks contact.

Scroll naar boven